A. J. G. Peeters

geboren Nijmegen, 1918

 

In het begin van de jaren dertig zette mijn vader zijn eerste schreden op het zilverpad. Achtereenvolgens leerde hij het edelsmeedvak in Nijmegen, Den Bosch, Haarlem en Arnhem. In het laatste atelier bleef hij werken als volleerd goudsmid, juwelenmonteur en graveur. Hoe vreemd het ook moge klinken: het waren in oktober 1944 de geallieerden die ervoor zorgden dat mijn vader zich zelfstandig vestigde. De weg naar Arnhem was door oorlogsgeweld afgesneden, zodat hij noodgedwongen in Nijmegen een eigen atelier begon: heel eenvoudig, op een slaapkamer in het ouderlijk huis. Onmogelijk kon hij vermoeden dat toen de grondslag werd gelegd voor een winkel met werkplaats die drieenzeventig jaar later nog altijd de familienaam zou dragen.

Van meet af aan stroomden de opdrachten binnen. Geallieerde militairen waren dol op sieraden waarin vooroorlogs muntgeld was gemonteerd. Talloze ringen, armbanden, broches en kettinkjes werden verkocht, later ook lepels, versierd met dubbeltjes, kwartjes, guldens en rijksdaalders. Ook verdwenen muntstukken in de smeltkroes want baar zilver was nauwelijks voorhanden. Al vlug kon mijn vader het werk niet meer aan en assisteerde zijn verloofde (later mijn moeder) hem als leerling-goudsmid. Eenmaal getrouwd zou zij helpen in de winkel. Na het vergissingsbombardement van februari 1944 was er in het geruïneerde Nijmegen nauwelijks bedrijfsruimte voorhanden. Pas in 1950 kwam een huurpand vrij in de Prins Hendrikstraat. Hier startte de juwelierszaak, gesteund door een eigen, goed geoutilleerd atelier. Het huidige winkelpand met woonhuis in de Van Welderenstraat werd twaalf jaar later aangekocht. Liefst vier decennia voerde mijn vader een meesterteken: zijn initialen ‘A-P’, gevat in de contour van een liggende ruit.
Ringendoosje ca. 1948
Advertentie uit 1950
Doosje ca. 1955

 

top